Welkom op de blogpagina van Maarten van der Velde

Ontwerpen is verbinden

Wat is de overeenkomst tussen het ontwerpen op verschillende schaalniveaus, zeg maar van stoel tot stad? Berlage deed het al in zijn streven naar het ‘Gesamtkunstwerk’, het zoeken naar het ideale samenspel tussen verschillende kunstvormen. Zo ontwierp hij voor de ‘Beurs van Berlage’ ook het meubilair, de verlichting en de stoffering. Gaat het hierbij alleen om een bepaalde manier van denken en voldoende kennis en vakmanschap? Zijn er verschillen aan te wijzen tussen meubelontwerpers, architecten en stedenbouwkundigen? Of moeten we het zoeken in een heel andere hoek?

Meubels

Iedere architect wil ook wel eens een meubel ontwerpen. Onlangs ging ik daarom op uitnodiging van een meubelmaker uit Friesland graag mee naar zijn meubelfabriek in Bosnië met als doel enkele prototypes te maken. Maar ook om het proces van idee tot realisatie te leren kennen. Daar bleek maar weer eens: een goed meubelontwerp is ook gebaseerd op de vaardigheden en denkwijze van de meubelmaker en de mogelijkheden van zijn machines. De verbindingen tussen de verschillende onderdelen van het meubel moeten immers wel kunnen worden gemaakt. En dat vraagt om een verbinding tussen ontwerper en meubelmaker.

Architectuur

Zo is het in de architectuur niet anders. Architecten leren tijdens hun opleiding alles over de gangbare bouwmogelijkheden en -methoden. Dit als uitgangspunt voor het maken van een ontwerp wat niet alleen mooi is, maar ook gebouwd kan worden en bijvoorbeeld waterdicht is en aan het oerwoud van regels voldoet. Maar zonder een goede verbinding tussen architect en opdrachtgever of tussen architect en aannemer zal een ontwerp nooit worden uitgevoerd zoals het werkelijk is bedoeld.

Stedenbouw

En zo zoekt een stedenbouwkundige in zijn masterplan, structuurvisie of integrale visie bijvoorbeeld naar een verbinding tussen het landschap en de gebouwde omgeving. En tussen heden, verleden en toekomst. Een verkavelingsplan verbindt kavels aan infrastructuur. En in een beeldkwaliteitsplan wordt het stedenbouwkundig ontwerp verbonden met de nog te ontwerpen bebouwing. Dat alles vraagt niet alleen om brede kennis over de (on)mogelijkheden binnen de verschillende disciplines. Vooral vraagt het om een intensieve samenwerking en communicatie met alle betrokkenen, ontwerpers, projectleiders, ontwikkelaars, civieltechnici, beheerders, planeconomen en beleidsmakers. Alleen in een goed netwerk van verbindingen tussen alle betrokken partijen ontstaat een goed, mooi en realistisch ontwerp.

Specialisatie

Het gaat niet meer alleen om het ontwerpen van de fysieke verbindingen tussen materialen, bouwdelen, of stadsdelen. Het ontwerpen van de verbindingen tussen de spelers in het bouwproces is minstens zo belangrijk! En dat is in deze tijd meer dan ooit het geval. Door toegenomen specialisatie, wet- en regelgeving heeft niemand meer het volledige overzicht. Je bent als ontwerper afhankelijk van vele personen, hebt te maken met vele disciplines, wetten en regels en vele partijen en belangen.

Gesamtkunstwerk

Is dat erg? Ach, “Ieder nadeel heb zijn voordeel”, zou Johan Cruijff zeggen. Afhankelijk zijn is wel eens vervelend. Vooral als het leidt tot een proces dat eindigt in de rechtszaal. Maar waar een ontwerper werkt aan zowel de fysieke verbindingen als de verbindingen tussen partijen kan iets heel moois ontstaan. Dat kan leiden tot een leuk proces. En tot een goed ontwerp. En misschien zelfs tot innovatie. Ontwerpers moeten daarom, behalve aan fysieke verbindingen vooral ook actief werken aan het ontwerpen van verbindingen tussen mensen en partijen in het proces! Dat is misschien wel het ‘gesamtkunstwerk‘ van deze tijd!

Share
categorie: stedenbouw & supervisie
trefwoorden: , , ,
reacties: 2 reacties

Ontmoeten doet bewegen!

Even geleden alweer zat ik in een overleg over de beweegvriendelijke (her)inrichting van woonwijken. Dit naar aanleiding van de studie ‘beweegvriendelijke wijken voor kinderen’ door TNO. Conclusie: beperk je niet tot de aanleg van een extra speelplaats maar denk op alle fronten na over het stimuleren van ontmoeting. Want ontmoeten doet bewegen!

GPS & GIS

TNO heeft kinderen in verschillende achterstandswijken meerdere jaren gevolgd. Door kinderen een bewegingsmeter om te hangen met GPS zijn de beweegpatronen van kinderen in kaart gebracht. Ook werden de kinderen gemeten, gewogen, etc. Het zal je niet verbazen dat  teveel kinderen (31%) lijden aan overgewicht en dat ze over het algemeen te weinig bewegen. Maar er was ook een hoopvolle en kansrijke conclusie: waar kinderen elkaar ontmoeten wordt meer bewogen.

Zowel fysiek als emotioneel

Dat is enerzijds weinig verrassend: waar jonge kinderen (jonge dieren ook!) elkaar ontmoeten gaan ze immers spelen: tikkertje, verstoppertje, etc. Anderzijds is het een eye-opener: het stimuleren van ontmoetingen is een middel om mensen in beweging te krijgen! Bij oudere kinderen zal de nadruk meer liggen op emotionele beweging: hangen en ontmoeten. Maar ook dat gaat vaak samen met fysieke beweging: voetballen, skaten, etc. Zowel fysieke als emotionele beweging zouden we dus moeten stimuleren. Beiden zijn nuttig en lokken uit tot elkaar: ontmoeten doet bewegen maar ook: bewegen doet ontmoeten.

Jong geleerd, oud gedaan!

Pas als ouders het gevoel hebben dat ze hun jonge kinderen veilig en zelfstandig naar buiten kunnen laten gaan zullen ze dat ook doen. Dat vraagt om prettige, veilige en directe langzaam verkeersroutes naar scholen, pleinen, speelplekken, (sport)voorzieningen en andere mogelijke ontmoetingsplekken gericht op het gevoel van veiligheid onder de ouders. Hoe jonger kinderen zelfstandig naar buiten gaan, hoe groter de kans op voortzetting van dit patroon op oudere leeftijd: jong geleerd is immers oud gedaan! Ontmoetingsplekken hoeven daarbij niet speciaal te worden ingericht voor kinderen. Combineer ontmoetingsplekken voor ouderen eens met die voor kinderen en stop ze niet in hun eigen hokje. Dan is er meer kans op ontmoeting, beweging én sociale controle.

Vraaggestuurd

Omdat het gevoel van veiligheid bij de ouders doorslaggevend is begint een integrale aanpak met het betrekken van ouders, kinderen en andere belanghebbenden. Vraag scholen en ouders te inventariseren welke routes hun kinderen nemen naar school. Welke maatregelen geven ouders het veilige gevoel dat zij hun kinderen zelfstandig naar school laten lopen of fietsen? Waar liggen de mogelijke ontmoetingsplekken? Welke afspraken zijn er nodig tussen scholen, gemeente en omwonenden over de toegankelijkheid van schoolpleinen na schooltijd? Het samenbrengen van bewoners, gemeente, scholen en integraal denkende ontwerpers is de belangrijkste stap in de opwaartse spiraal van ontmoeten en bewegen!

Share
categorie: duurzaam & gezond
trefwoorden: , , ,
reacties: geef een reactie

Toekomstwaarde

De toekomstwaarde van een gebouw wordt vaak op één moment bepaald maar is het resultaat van vele aspecten die elk kunnen veranderen. Verandering van de technische en esthetische staat, verandering in gebruik en omgeving én veranderingen in de maatschappij zijn allen van invloed op de toekomstwaarde van een gebouw. Waar ruimtelijke én maatschappelijke veranderingen samenkomen kan daarom ook het inzicht in de toekomstwaarde van gebouwen in korte tijd veranderen. Dan ontstaat een kans om toekomstige gebruikers invloed te laten uitoefenen. Zo kunnen bestaande en nieuwe identiteiten worden verbonden en wordt ruimte gelaten voor  ‘het onverwachte’.

Flexibiliteit en identiteit

De economische crisis dwingt ons meer vraaggestuurd te ontwikkelen. Dat kan door de ‘markt’ te analyseren. Maar de markt zelf verandert doorlopend en steeds sneller. De mobiliteit neemt alsmaar sneller toe, de manier van werken verandert en wordt minder plaatsgebonden. In reactie daarop worden de eisen aan ‘de kwaliteit’ van de woon- en werkplek steeds groter. Dat vergroot het belang van flexibiliteit en identiteit in plannen en strategie.

Het onverwachte

Elk gebouw kan rationeel en emotioneel worden geïnventariseerd op allerlei aspecten. De integrale optelsom van aspecten bepaalt dan de toekomstwaarde op dát moment. Maar onverwachte initiatieven kunnen alles veranderen. Gebruik van een bunker als muziek-oefenruimte, van een loods als buurtwerkplaats of van een leegstaande hangar door een theatergroep  kan de economische dwarsverbanden, de verbondenheid van gebruikers met de plek en de identiteit van een nieuwe wijk enorm vergroten.

Invloed en verbondenheid

De identiteit van een gebied wordt bepaald door haar geschiedenis, het samenspel van gebouwen en landschap en haar gebruikers. Met de komst van nieuwe functies en gebruikers zal de identiteit van een gebied veranderen. De mate van invloed die mensen kunnen en willen uitoefenen op hun omgeving kan de verbondenheid met een plek en de identiteitsvorming daarmee sterk vergroten.

Aantrekkelijkheid van een gebied

Bij (her)ontwikkeling van een gebied kan daarom de invloed van toekomstige gebruikers op herbestemming van gebouwen een toegevoegde waarde zijn voor de vorming van een nieuwe identiteit en voor de verbondenheid met de plek. Een strategie in tijd, om ruimte te reserveren voor ‘het onverwachte’ en een strategie voor het betrekken van toekomstige gebruikers bij beslissingen over hergebruik en functiebestemming kan de aantrekkelijkheid van een ontwikkeling vergroten omdat de beslissing en maatregelen tot hergebruik beter zijn afgestemd op de wensen van de eindgebruiker.

Share
categorie: architectuur & Bouw, stedenbouw & supervisie
trefwoorden: , ,
reacties: geef een reactie

Dictatuur → Democratie → Doe-Het-SamenLeving

Een veel gehoorde verzuchting in Nederland is de trage totstandkoming van grote projecten in Nederland. Waar in Nederland een project als de Spoortunnel door Delft nu al ruim 20 jaren in beslag neemt, leggen ze in China binnen enkele jaren honderden kilometers metro aan ten behoeve van de Wereldexpo. ‘leuk en aardig, maar we willen hier toch geen Chinese toestanden, waar honderden bewoners worden verjaagd om plaats te maken voor ‘het grotere belang‘? Maar hoe moet het dan? Om in Nederland grote projecten effectief te ontwikkelen is een transitie nodig naar een ander samenlevingsmodel.

Groot versus klein belang

Management van grote projecten in Nederland is ‘opereren op het snijvlak van orde en chaos’, zo beweerde afgelopen woensdag professor Geert Teisman, hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Waar in China alleen het grotere belang telt, is in Nederland (gelukkig maar) het individuele belang steeds belangrijker geworden. Dat leidt tot een toenemende mate van complexiteit bij het ontwikkelen van projecten. En daarom hebben we in Nederland inspraakprocedures, bezwaartermijnen, bestemmingsplanprocedures, etc,  om alle individuele belangen te bewaken. Maar de weerstand tegen dit oerwoud van regelgeving groeit en de vraag is of het allemaal niet een schijnvertoning is. Wordt het individu wel écht gehoord? En gaat dat ‘gepolder’ met compromissen als uitkomst niet ten koste van de ruimtelijke kwaliteit?

Recht

Hoewel het individu dus in Nederland weliswaar veel aandacht krijgt wordt het beleid feitelijk nog net zo centraal gestuurd als in China. Daardoor komt de nadruk tijdens het proces vooral te liggen op problemen, verdedigen van het eigen belang of het traineren van een project. Dit leidt tot moeizame, vertragende, kostenoverschrijdende en energievretende processen.  Hoe verleggen we de nadruk naar samenwerking, versnelling, lange termijn besparingen en blijdschap?

Bottleneck of nieuw hart?

Dat vergt een andere vorm van beleidsontwikkeling: geen ‘Chinees-centraal-gestuurde’ gebiedsontwikkeling (ten koste van het individu), geen ‘Centraal-compromis-gestuurde’ gebiedsontwikkeling (ten koste van budget en tijd) maar een op ‘Inspiratie-gebaseerde-zelfsturende’ gebiedsontwikkeling. Het gaat bij deze laatste variant om een inspirerende start: ‘Een verdubbeling van spoorcapaciteit biedt kansen voor Delft in een beter bereikbare Zuidvleugel’. Voel het verschil met: ‘Het viaduct door Delft moet verdubbeld want de Delftse Bottleneck is een bedreiging voor de bereikbaarheid van de Randstad’. Een start met een aanlokkelijk perspectief, zonder directe oplossing, vergroot de kans op actieve medewerking en deelname door bewoners.

Onderop wordt bovenop

Dat vergt een andere manier van planvorming, een andere manier van exploitatie maar vooral een ander proces. De overheid stuurt meer op metaniveau door te inspireren. Overheid, private partijen en burgers komen samen tot een plan. Daaruit volgt misschien het beleid.  De volgorde doet er niet meer toe. Inspiratie kan ook van onderop komen. Onderop wordt misschien ook eens bovenop. Het gaat om de spelers in plaats van de regels. Dát zorgt er voor dat plannen ieders belangen dienen. En dat ze snel en kosten-efficiënt tot uitvoering komen. We moeten toe naar een pro-actieve en participatieve democratie: de Doe-Het-SamenLeving!

Share
categorie: master city developer
trefwoorden: , ,
reacties: geef een reactie

De Randstad op de kaart!

Afgelopen woensdag organiseerde de Vereniging Deltametropool een ‘Randstad Oploop’ over de ‘Randstad in het regeerakkoord’. Het werkelijke gezamenlijke doel – het verstevigen van de concurrentiepositie van de Randstad als geheel – leek te verdwijnen in gekissebis over bestuurlijke provinciale (her)indelingen en grenzen. Of zijn deze bestuurlijke grenzen toch belangrijker dan het lijkt?

De provincie Randstad?

Volgens de commissaris van de koningin van Zuid-Holland, Jan Franssen, verliest de Randstad aan concurrentiekracht ten opzichte van de andere grote metropolitane regio’s in Europa (OESO rapport 2007). Volgens Franssen komt dit omdat de steden in de Randstad elkaar teveel beconcurreren in plaats van gezamenlijk op te trekken. Franssen pleit daarom voor één Randstedelijke provincie voor zuid- of noordvleugeloverstijgende functies als infrastructuur, water, groen en stedelijke diversiteit.

Krimp en groei

Maarten van Poelgeest, wethouder Ruimtelijke Ordening van Amsterdam vindt een bestuurlijke (her)indeling minder van belang. Bovendien gaat het ‘niet slecht’ met de Randstad (World Economic Forum). Waar van Poelgeest zich wel zorgen over maakt is de huidige demografische transitie: krimp in de buitengebieden en gelijktijdige groei in de Randstad, waardoor volgens hem tot 2040 zo’n 250.000 nieuwe woningen nodig zijn alleen al in de Amsterdamse Regio. Om grootschalige suburbanisatie te voorkomen pleit hij voor een krachtige visie van de overheid.

Concurrentie

De stelling van Franssen dat de onderlinge stedelijke concurrentie ten koste gaat van de concurrentie van de Randstad als geheel roept de vraag op of concurrentie altijd zo slecht is. Het bevordert toch ook de creativiteit? En het dwingt plaatsen en steden op zoek te gaan naar hun identiteit. Steden halen zo het beste uit zichzelf, zou je zeggen. Maar dit moet natuurlijk niet ten koste gaan van de concurrentiepositie van de Randstad als geheel.

Coöpetitie

Je zou de Randstad kunnen beschouwen als een cluster van elkaar beconcurrerende steden met een gezamenlijk belang. Dat vraagt om coöpetitie: een mix van competitie en coöperatie. Hoe meer doelvervlechting, schaalvervlechting en vervlechting van proces, programma’s en projecten, hoe succesvoller het gemeentelijke én randstedelijke resultaat. Om de belangen op alle schaalniveaus af te wegen en een pro-actieve samenwerking te stimuleren of zelfs af te dwingen lijkt in een polycentrische metropool als de Randstad een hogere bestuurlijke macht noodzakelijk.

Overkoepelende visie

Zowel het idee van Van Poelgeest – een Randstadminister met een overkoepelende visie – als het idee van Franssen – één Randstadprovincie – zouden bovenstaande rol kunnen vervullen. Het fuseren van de provincies Noord-Holland, Flevoland en Utrecht, zoals deze drie nu van plan zijn, leidt slechts tot een verschuiving van de bestaande machts- en concurrentieverhoudingen binnen de Randstad en een machtsblok dat zich slechts zal inspannen voor de Noordvleugel. Minister Donner zou dit daarom moeten blokkeren.

Randstad op de kaart

Maar om terug te komen op het werkelijke doel: om de concurrentiepositie van de Randstad écht te verstevigen moet de Randstad een geografische, symbolische, institutionele én cognitieve eenheid worden. Wat dat betreft heeft Franssen een punt. De stap naar één Randstadprovincie zorgt ervoor dat de Randstad als gebied wordt gevonden op Google Maps, dat er een Randstadlogo zal worden ontworpen en dat het een institutionele eenheid wordt. Dat biedt misschien wel de beste kansen op zowel het aanleggen van het langverwachte rondje Randstad als het binnenhalen van de Olympische spelen. Zo ontstaat langzaam maar zeker een gemeenschappelijke identiteit. En dat is een cruciale basis voor het verstevigen van je concurrentiepositie..

Share
categorie: master city developer
trefwoorden: , , ,
reacties: geef een reactie

Water: bron van verbinding!

Gisteren mocht ik als atelierleider een van de workshops op het wateratelier begeleiden. Door DHV, het NIROV en het ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn waterexperts en ontwerpers samengebracht. Want alhoewel alle kennis over wateroplossingen al beschikbaar is worden er nog te weinig oplossingen toegepast. Hoe kan dat? De conclusie was even eenvoudig als voor de hand liggend: werk vroegtijdig samen en inspireer je (bestuurlijke) omgeving!

Water is leuk!

Waar beleid vroeger was gericht op het zo snel mogelijk afvoeren van water uit de stedelijke omgeving gaat het sinds een jaar of twintig juist om het zoveel mogelijk bufferen en vasthouden. Dit voorkomt grote pieken in de benodigde afvoercapaciteit en daarmee de risico’s op overstromingen. Logisch vervolg hiervan is het denken over hoe we dit water dan zo goed mogelijk kunnen benutten. De laatste jaren is met name door ontwerpers ontdekt dat water ook leuk kan zijn.

Moestuindaken

Zo kan met een groen dak bijvoorbeeld tot 90% van het regenwater op het dak worden vastgehouden. Waarom liggen de woningen in Nederland dan nog niet vol met moestuindaken? Drijvende woningen zijn een uitstekende manier om veilig buitendijks te bouwen. Waarom gebeurt dit nog niet massaal? Verdiepte pleinen of verdiepte skate pools in de stedelijke ruimte kunnen dienen als waterbuffer tijdens hevige regenval in plaats van dure ondergrondse waterbergingen waar niemand van geniet. De speel- of skatefunctie verandert zo in een waterplein. Waarom zien we dit nog zo weinig? Dit zijn slechts enkele voorbeelden die tijdens het atelier de revue passeerden.

Verloren kansen

Water wordt wel steeds meer onderdeel van de inrichting van een gebied. Maar de verbinding tussen ontwerpers en waterexperts wordt vaak pas laat in het ontwerpproces gemaakt. Hier gaan kansen verloren. Kansen op synergie, een integrale aanpak van problematiek van wateroverlast en nuttige en leuke toepassingen van water die meerwaarde kunnen geven aan een ontwerp.

Inspireer!

Ontwerpers zijn al veelal bekend met de diverse technieken en mogelijkheden, zo bleek tijdens het atelier. Waar het nogal eens aan schort is organiserend vermogen van ontwerpers en techneuten om hun kennis en ideeën concreet te maken en ‘aan de man’ te brengen. Dit terwijl water een onuitputtelijke bron blijkt van verbinding. Het stroomt, het leeft en spreekt tot de verbeelding. Ontwerpers en techneuten: inspireer daarmee je (bestuurlijke) omgeving! Zoek vroegtijdig naar (keten)samenwerking met techneuten en bedrijven, maak daarbij gebruik van imagokansen en desnoods van de ‘sense of urgency’ als deze zich voordoet bij de eerstvolgende grote overstroming..

Share
categorie: groen & water
trefwoorden: , , ,
reacties: geef een reactie

Prorail: Stoer, Sexy en Sjiek!

Stations in Nederland kunnen veel beter onderdeel worden van de omgeving waarin ze liggen. De mens is waar alles om moet draaien bij zowel de inpassing van het spoor, de inrichting van stations, de stationsomgeving én de aansluiting op het stedelijk weefsel. Het draait om prettige, aantrekkelijke, veilige en gemakkelijke routes, verblijfsplekken én voorzieningen. Prorail heeft al een tijdje een stevig imagoprobleem door een aaneenschakeling van incidenten. Nu de president directeur is opgestapt is dat een mooi moment voor de start van een transitie naar een stoer, sexy en sjiek imago gericht op de reizende mens.

Knooppunten van ontmoeting

Stations bieden een decor voor ontmoeting. Een uitgelezen kans voor menselijke interactie en innovatie. Want ontmoeting doet immers bewegen! Waar mensen samenkomen is kans op interactie en daarmee nieuwe verbindingen, combinaties en netwerken. De relatief verloren tijd op weg naar je werk zou een uitgelezen moment kunnen zijn voor het verspreiden van kennis en het opdoen van nieuwe ideeën.

Detectiepoortjes

In plaats daarvan lopen de meeste mensen er zo snel mogelijk weer weg en is er nagenoeg niets te beleven. Logisch want het voelt er nogal eens onwelkom, tochtig en oncomfortabel aan. Treinreizigers worden regelmatig meewarig aangekeken door de automobilist. Reizen per trein is niet sexy en stoer. Omdat het nu eenmaal niet leuk genoeg is. En alhoewel de vormgeving en architectuur van stations het laatste decennium sterk is verbeterd mist er een gevoel van gastvrijheid en levendigheid. De trend naar detectiepoortjes draagt hier zeker niet aan bij. En waar is het café om het wachten te veraangenamen?

Etalage van de buurt

Waarom liggen er eigenlijk geen bedrijven direct aan de perrons, of winkels met etalages? Of misschien geluidsoverlastgevende functies als oefenruimtes of werkplaatsen? Het (verbrede) perron als nieuwe boulevard tijdens het wachten op de trein. Dat zou het wachten een stuk leuker maken. En misschien zelfs een goede reden wat eerder naar het station te gaan, of je trein te missen! Het combineren van functies biedt kansen de stations op te waarderen tot de etalage van de buurt of stad waar het station in ligt. Vergelijk dit eens met Schiphol dat met een dependance van het Rijksmuseum feitelijk de etalage is van Nederland.

Stoer, Sexy en Sjiek

Door mooie vormgeving en een comfortabele perrons om te wachten met hieraan gelegen bedrijfjes en voorzieningen kunnen bestaande en nieuwe stations gaan functioneren als volwaardige, zelfstandige centra waar mensen ook graag komen als ze niet met de trein hoeven. Dat verhoogt het gebruik van het Openbaar Vervoer, en het verbetert de sociale veiligheid én de gezelligheid. Ondernemers staan vast in de rij voor dergelijke plekken. En dan komt dat café vanzelf. Prorail kan een cruciale rol gaan spelen, in uitstekende samenwerking met NS, gemeenten en regionale bestuursorganen, maar vooral ook met plaatselijke ondernemers en bewoners, om het reizen per trein weer Stoer, Sexy en Sjiek te maken!

Share
categorie: auto & Infra
trefwoorden: , , ,
reacties: geef een reactie

Leefstijlen en astrologie

Nu het crisis is wringen steden en ontwikkelaars zich in steeds grotere bochten in de strijd om bewoners. Leefstijlen spelen hierbij een steeds grotere rol als onderbouwing van de keuze voor een bepaald woonmilieu. Het ei van Columbus in de strijd om de afzetmarkt? Of is het hokjesdenken wat leidt tot nieuwe monoculturen en is het daarmee juist een risico in een toch al steeds minder tolerante samenleving?

De rode wereld

Eerst maar eens gekeken in welk hokje ik zelf pas: volgens de mentality test van Motivaction ben ik een ‘kosmopoliet’ met als goede tweede een ‘postmoderne hedonist’. En ik bevind mij in de ‘rode wereld’, volgens SmartAgent: ik woon het liefst in een stad ‘vanwege de anonimiteit, zodat ik mijn eigen gang kan gaan en vanwege de vele mogelijkheden die een stad biedt, de continue levendigheid en activiteiten’.

Astrologie

Ik moet zeggen dat ik onder de indruk ben van de manier waarmee de leefstijlonderzoekers mij weten te omschrijven. En een beetje geschokt natuurlijk vanwege het feit dat ook ik gewoon in een hokje blijk te horen.. Maar ook valt hier direct de overeenkomst op met astrologie en waarzeggerij. Dat bevat ook vaak een waarheid voor degene die er naar op zoek is. De trend naar ‘leefstijlen’ of ‘burgerschapstijlen’ lijkt, net als astrologie, eenvoudig te verklaren vanuit een behoefte aan houvast en zekerheid in onzekere tijden en afzetmarkten. En om de beslissers te overtuigen: ‘kijk, hier woont al veel blauw. Laten we nog wat blauw toevoegen dan pikt de markt het waarschijnlijk wel op’.

Spanningen

Vele verschillende sociale en culturele achtergronden leiden tot vele verschillende normen en waarden, ook binnen dezelfde inkomensgroepen. Dat leidt soms tot spanningen en onvrede. De hamvraag is nu: moeten we om die reden mensen opdelen in leefstijlen en ze vervolgens ‘inplannen’ in een buurt om deze spanningen weg te nemen? Is dat niet een wanhopig streven naar een maakbare samenleving? Regelt de markt dit niet zelf? En wat is er mis met een beetje spanning in de buurt? In het zeldzaam ergste geval leidt dit tot een verhuizing. Waarna de sociale cohesie onder achterblijvers waarschijnlijk groter is dan ooit..

Buren

Eens even om me heen kijken door de SmartAgent kleurenbril: mijn huidige overburen zijn ‘blauw’, denk ik (laten jullie het weten als het niet klopt?). En mijn naaste buren ‘groen’, schat ik zo in. En in mijn vriendenkring kom ik eigenlijk alle kleuren van de regenboog tegen. Zou ik niet liever in een buurt of straat willen wonen met louter ‘rode’ mensen dan wel andere ‘kosmopolieten’?

Monocultuur

Hoe langer ik er over nadenk hoe meer ik tot de conclusie kom: eigenlijk niet! Juist het in mijn ogen ‘afwijkend’ gedrag van buurtgenoten maakt dat ik mij bewust ben van mijn eigen gedrag en het effect daarvan op anderen. En het biedt een dankbaar gespreksonderwerp. Ik ben vast ook regelmatig het gespreksonderwerp van mijn buren. Een monocultuur van hoofdzakelijk één leefstijl lijkt me niet alleen saai, het zou wel eens kunnen leiden tot een nieuwe vorm van segregatie op buurtniveau, een groeiend onbegrip tussen de leefstijlen onderling. En daarmee het verplaatsen van de spanningen van buurt- naar nationaal niveau. Of is dit typisch een gedachte voor iemand in de rode wereld?

Share
categorie: master city developer
trefwoorden: , ,
reacties: 4 reacties

De emotie van Rotterdam

De haven als magneet voor bewoners op zoek naar werk heeft haar aantrekkingskracht allang verloren. Rotterdam moet net als alle steden stevig concurreren om de drie B’s: bewoners, bezoekers en bedrijven. Om dit goed te doen zal Rotterdam op zoek moeten naar haar emotie.

Slechte lijstjes

Rotterdam wil al jaren meer middenklasse en hoger opgeleide bewoners in de stad vasthouden. Deze mensen trekken namelijk massaal uit de stad weg naar wat eveneens de drie B’s wordt genoemd: Barendrecht, Berkel & Rodenrijs en Bergschenhoek. Doordat de lager opgeleide bewoners achterblijven is Rotterdam recordhouder ‘aanvoering slechte lijstjes’ als het gaat om werkloosheid, uitkeringen, schooluitval, criminaliteit, etc.
Enigszins sneu was het dat Adriaan Visser, algemeen directeur van het Ontwikkelings Bedrijf Rotterdam, deze recordstatus vorige week tijdens een college relativeerde door te zeggen dat dat ligt aan de schaal waarop je het bekijkt: ‘als je alle randgemeenten meeneemt verdwijnen we in een klap van alle lijstjes’.. Niettemin probeert Rotterdam dit tij keihard te keren door het meer bouwen van dure woningen, door het upgraden van de openbare ruimte, door het vergroten van het aanbod aan culturele voorzieningen en het werken aan een dynamisch, speels en jong imago. Maar werkt het?

Grondprijzen

Tijdens het seminar ‘New Economies, the importance of Place’ op 13 oktober liet Coen Teulings zien dat de grootste stijging van de grondprijzen al jaren in de noordvleugel van de Randstad ligt. Dus niet in Rotterdam. Zijn pleidooi was daarom dan ook vooral in de noordvleugel extra woningbouw mogelijk te maken.. Dáár willen de mensen immers wonen.
Los van de vraag of het verstandig altijd dátgene te doen wat de meeste mensen willen is het duidelijk: waar Amsterdam rustig achterover leunt omdat de mensen er toch wel willen wonen, moet Rotterdam het hebben vooral hebben van de mensen die er werken.

‘I amsterdam’ versus ‘Rotterdam durft’

De payoff ‘I amsterdam’ illustreert dit goed. Het roept gevoel op. Het is internationaal. Het straalt liefde uit én identiteit. En het maakt direct duidelijk waarom mensen zich in Amsterdam willen vestigen: Amsterdam is een stad waar je je mee verbindt.
‘Rotterdam durft’ lijkt vooral iets te zeggen over het politieke klimaat in Rotterdam. Rotterdam durft.. te zeggen wat ze denkt, zoiets? De ‘Rotterdam durft’ campagne is een stille dood gestorven. Het roept weinig emotie op en is niet internationaal, terwijl Rotterdam dat wel wil zijn.

Dure feestjes

De Rotterdamse emotiestrategie lijkt te bestaan uit het bouwen van dure feestjes die een hoop publiek trekken. Rotterdam leeft van festival naar festival. Van zomercarnaval naar Red Bull air race. Van Tour de France naar WK 2018. Dat doet ze weliswaar heel goed. Het genereert een hoop energie en spin-off. De feestjes worden massaal bezocht maar de bezoekers gaan na afloop weer snel terug naar de drie B’s. Gaat het hier eigenlijk wel om emotie? Of gaat het vooral om de economische spin-off?

Stadsvisie 2030

De stadsvisie 2030 uit 2008 heeft als uitgangspunt en missie ‘het versterken van de concurrentiepositie van de stad door het bouwen aan een sterke economie en een ‘aantrekkelijke woonstad’. De economie is ook hier duidelijk de drijfveer. Het dichtst bij een emotie komt nog de ondertitel van ‘zinderende havenstad’. Maar die haven was nu juist datgene waar Rotterdam het niet meer zozeer van moet hebben. Dat zegt de stadsvisie zelf ook: ‘Rotterdam moet een strategie volgen gericht op de ontwikkeling van de kennis- en diensteneconomie’.

Inspiratie

Ondertussen sleutelt Rotterdam niet alleen aan haar software (festivals en bewoners) maar ook aan haar hardware. (Openbare ruimte, meer dure woningen in de stad, Voorzieningen, Centraal Station, kop van zuid) Met de inzet is niets mis. Velen werken heel hard aan Rotterdam. Maar het lijkt te ontbreken aan een samenhangende drijfveer. Een onderliggende emotie. Wat wil ze uitstralen naar de wereld? Het wordt hoog tijd dat duidelijk wordt wat Rotterdam inspireert (los van economische redenen) tot het nemen van haar beslissingen. Pas als dat duidelijk is vallen alle puzzelstukjes in elkaar en krijgen de inwoners van Rotterdam de stad die ze verdienen. En krijgt Rotterdam de inwoners die ze verdient!

Share
categorie: stedenbouw & supervisie
trefwoorden: , ,
reacties: 2 reacties

Crisis en verandering

Hulde aan de programmadirectie van MCD voor het collegeprogramma van gisteren. Wat een leuke dag weer! Lekker speculeren (meer of minder wetenschappelijk onderbouwd) over de crisis en de daardoor veranderende rollen van achtereenvolgens de corporaties, de ontwikkelaars en de gemeenten. Mijn conclusie: de corporaties hebben theoretisch het beste toekomstmodel maar lijken niet goed in staat dit goed in te vullen.

Vincent Gruis: de corporaties

Aftrap door Vincent Gruis (TU Delft) over de veranderende rol van de woningcorporaties. Die zijn en worden aan alle kanten uitgekleed door een vermogen-afromende overheid, veranderende regels in Europa. En dat terwijl juist de woningcorporatie hét voorbeeld is van maatschappelijk verantwoorde ondernemingen die ook aan de lange termijn denken.


Vincent liet een eenvoudig model zien waarmee hij het spanningsveld in beeld bracht waar de corporatie zich in bevindt: tussen staat, markt en maatschappij. Prachtig. Het laat haarscherp zien dat de corporatie continue heen en weer wordt geslingerd tussen verschillende belangen en zich niet helder bewust is van haar rol. De verleiding is om naar een van de hoeken te ‘rollen’. Dat doen de corporaties dan ook meestal in de praktijk. Dat maakt het operationeel makkelijker. Maar het lijkt er sterk op dat juist door in het midden te blijven ‘balanceren’ je je innovatieve kracht het beste uitnut en alle belangen integraal kunt verenigen. Is dat niet juist wat je nodig hebt om je te onderscheiden?

Scief houben: de ontwikkelaars

Daarna een leuk pleidooi door Scief Houben over de veranderende rol van ontwikkelaars en het zoeken naar wat hij noemt ‘het DNA van een organisatie’: wat is je identiteit, je trots? Zoek eerst het DNA, kijk daarna wat het probleem is en zoek vervolgens naar de ‘paradigmasprong’: datgene wat moet veranderen om ‘het DNA’ te matchen met de problematiek.

Volgens Scief kan een bedrijf geen twee verschillende DNA’s hebben. Dat gaat mis volgens de organisatiekunde. Een andere veel gemaakte fout is terug te keren naar je kernactiviteit. Daarmee schrap je alle innovatieve kanten van je bedrijf: per definitie niet succesvol. De huidige crisis maakt dat ontwikkelaars op zoek moeten naar toegevoegde waarde voor de eindgebruiker. Meer focus op de maatschappij dus. Eigenlijk, zo zegt Scief, moet de ontwikkelaar doorlopend paradigmasprongetjes maken om te kunnen blijven concurreren. Hier zie ik een parallel met die balancerende woningcorporaties..

Adriaan Visser: de gemeenten

Tot slot een energiek verhaal door Adriaan Visser, algemeen directeur van het Ontwikkelings Bedrijf Rotterdam, waar tevens de frustratie vanaf droop: de gemeente Rotterdam wíl zo graag maar de regering draait net alle geldkranen dicht waar de gemeente onder was gaan hangen. Met vervolgens de hoopkreet dat Nederland toch alsjeblieft het WK 2018 binnenhaalt aanstaande 2 december. Anders wordt het met de stadion-Feijenoord-gebiedsontwikkeling ook al niets..

Adriaan vertelde dat hij denkt dat het grondbedrijf Rotterdam zich door de crisis moet transformeren naar ‘publiek ontwikkelaar’. Waarschijnlijk meer herstrtucturering, lange termijn, meer integraliteit, meer samenwerking (met pensioenfondsen?), meer gebiedsgericht. Dat heeft alweer veel weg van het corporatiemodel van Vincent!

Wie wint?

Het lijkt er sterk op dat zowel ontwikkelaars als gemeenten zich realiseren dat ze meer zouden gaan moeten werken als de corporaties (in theorie) al doen: duurzaam, lange termijn, win-win, integraal, innovatief, maatschappelijk verantwoord én consument gericht: alle ingrediënten voor kwaliteit!

De grote vraag is óf partijen er in zullen slagen de innovatieve kracht van het corporatiemodel te verenigen met operationele efficiency. Of dat partijen gaan samenwerken zó dat de kwaliteiten van de drie partijen met elkaar worden verenigd tot synergie. Over een paar jaar maken we de balans op…

Share
categorie: master city developer
trefwoorden: , , , ,
reacties: 1 reactie